7.7.18

Radio Dakterras

'Zeg ik iets geks als ik zeg dat tijdens deze warme dagen sommige uren geheel en al in het teken lijken te staan van dan wel voetbal, dan wel de merel? Ik zeg: NEEN. Ik bedoel: JA, dat staan ze, Daarom, beste luisteraar, is het mij een voorrecht u in deze uitzending te mogen verblijden met enkele gedichten omtrent deze onderwerpen.

Het eerste gedicht gaat over voetbal en zo heet het ook. Het is afkomstig uit de kloeke bundel Anders gezongen: Bloemlezing uit de Mexicaanse poëzie 1945-2003, vertaald uit het Spaans door Stefaan van den Bremt en uitgegeven door uitgeverij P. De betrokken dichter, Antonio Deltoro, werd geboren in 1947 te Mexico-stad, studeerde economie en publiceerde in en redigeerde diverse tijdschriften. Over zijn werk wordt ter inleiding opgemerkt: 'Als dichter van symbolische ruimten heeft Deltoro geen voorkeur voor interieur, bibliotheek of platteland, wél voor het dakterras, vanwaar hij een landschap observeert vol watertanks en wasgoed dat in een schaamteloze zon te drogen hangt. Een panorama bij time-out: in zijn gedichten kauwt men een landerige sfeer van in nietsdoen zoekgeraakte uren, de verveling van een temerig middaguur, en zet hij met kunst- en vliegwerk de stille sleur in scène, waarin zich ergens op de achtergrond, als een kleinood in de modder, de poëtische revelatie voortsleept.'

Deltoro gaat met de spreekwoordelijke dichterlijke vrijheid voorbij aan de historische notie dat de term 'voetbal' niet zozeer verwijst naar de tegenstelling tussen voet en hand, maar voortkomt uit polo, de paardensport. Voetbal wilde zeggen dat de beoefenaar zich niet zozeer te paard begaf als wel te voet. Komt ie:


VOETBAL

Tussen de menigte, zo opgewonden als een behekst bos,
vrij van elke plicht, om de lol van de groene mat, uit plezier om te zien rollen,
te voelen hoe de voet stuurt wat in 't  gewone leven de hand hem afgenomen heeft,
zijn we vandaag bijeen op dit veld waar geen gerst groeit of graan;
wij zijn het koor dat jammert en juicht,
de zucht met de bal mee als hij doel mist en de kreet in het net.
Ontstaan is de bal uit een steen of de gezwollen blaas van neergelegd wild.
Hij is niet uitgevonden door een man op jaren, of een vrouw, of een knaap;
hij werd uitgevonden door de stam voor het feest, op de rustdag, op de open plek in het bos
Tegen de doeners, tegen de dictatuur van de hand,
bezing ik de door bal en grasveld geëmancipeerde voet,
de voet die ontwaakt uit zijn slaafse lethargie,
het vakkundige been dat feestviert in gala,
het hart van de voet, zijn hoofd, zijn gevleugeld bondgenootschap met Mercurius,
zijn natuur bevrijd van de knobbel
op elke enkel van beide voeten, zijn tien tenen
die millennia geleden in boomtakken vergeten vaardigheden weer te pakken krijgen.
Ik bezing de voeten die moe van gezwoeg in gebergten de vlakte betraden en het voetbal uitvonden.

Aldus Antonio Deltoro.
Merels voetballen niet, voor zover wij weten, maar zingen en bezingen er des te lustiger op los. Vanaf menige dakrand en door talloze achtertuinen schalt hun gezang ons tegemoet en vindt zijn weg naar harten en naar poëzie. Zo was ik onlangs in Bar Joost, in de Molukkenstraat hier ter stede, alwaar elke maand op een vroege maandagavond - opgeluisterd door voordracht en muziek - op een grote spiegel het gedicht wordt uitgewist om plaats te maken voor een ander, waarna de spiegel wordt teruggehangen in de toiletruimte. Momenteel wordt de spiegel opgesierd door regels van ene Henry Kloostra, die bij deze gelegenheid een serie korte gedichten ten beste gaf. In twee van de acht figureerde een merel en omdat de dichter zo vriendelijk was ze op papier rond te delen, kan ik ze hier reproduceren. De tweede is kort, de eerste nog korter zoals het een haiku betaamt. Hier zijn ze:

HAIKU

Ik zei eens haiku
een merel keek mijn kant op
en vloog toen vlug weg


GRAAG

Mag ik een helling
waar de tijm bloeit
op een windstille avond
met laagstaande zon.

En dan met jou naast me
ietwat huiverend
het zachte licht op je gezicht.
We zeggen niets, of weinig.

Verder nog graag
daar, in die boom
zuiver en helder
wat merelzang.

Aldus Henry Kloostra.
Mag ik op mijn beurt, luisteraars, u een fijne voortzetting toewensen met desgewenst het nodige vogel- en voetbalgenot? Onthoudt u dit: een fraai gedicht geeft de wereld gezicht. Ik dank u voor uw aandacht.'


► Dakradio